De volgende ochtend doe ik een onaangename ontdekking: naast mijn rugzak ligt de grootste kakkerlak die ik ooit gezien heb op zijn rug te spartelen. Gelukkig ben ik de kakkerlakken al wel gewoon, maar gelukkig is dit toch ook de eerste kakkerlak die ik in mijn hotelkamer aantref (en nog steeds de enige, kan ik met opluchting zeggen). Nu ben ik niet bang van kakkerlakken. Er is spijtig genoeg een nog levende getuige voor mijn beroemde uitspraak "He kijk, wat een grote kever" in een Damasceens steegje. Een van de vele uitspraken die mij mijn hele leven zal achtervolgen. Deze 'extra-grote kever' was gelukkig geimmobiliseerd en ik raapte snel mijn spullen bij elkaar. Niet veel meer dan drie uur later was ik in Hanoi. Het was ondertussen nog geen negen uur 's ochtends, het regende pijpenstelen en ik bevond me in een busstation buiten het stadscentrum. Gelukkig was ik goed voorbereid. De Guide du Routard vermelde ergens in kleine lettertjes dat een van de vele stadsbussen langs het toeristisch centrum rijdt. Xe buyt ba muy buon oftewel bus nummer 34. Terwijl ik mijn kleine rugzak met geld en dergelijke krampachtig tegen de regen bescherm, komt er een kluwen aan Vietnamezen op mij af: Motobike! Taxi! Nee, bedankt. Xe buyt ba muy buon? Brede glimlach. Twintig hulpvaardig wijzende vingers. Hemelsbrede glimlach. Tien minuten later zit ik op de rijdende bus, mijn ticketje van 3000 dong, minder dan 20 cent, in de hand. Mijn gelukzalige glimlach trekt de aandacht van de vrouw naast mij. Ze spreekt mij aan in zeer mooi Engels. We praten over mijn reis en haar leven in Hanoi. Ze is advocate, maar heeft nog weinig gezien van haar eigen land, hoewel ze overduidelijk geinteresseerd is en ook niet echt onbemiddeld lijkt (Iphones kosten in Vietnam evenveel als in Belgie...). Ik vermoed dat dat vooral komt omdat ze niet getrouwd is. Alleen reizen is vreemd in de ogen van Vietnamezen. Zeker als vrouw.
Een klein half uur later ben ik terug in het Old Quarter. Ik wandel naar een hostel die mij door twee mensen is aangeraden, een gigantische plek met zeven verdiepingen dorms, een restaurant-bar beneden en een grote gemeenschappelijke ruimte met terras op de vijfde verdieping. Ik moet tot elf uur wachten voor ik in mijn dorm kan, maar er staat wel gratis ontbijt. Vietnamese baguettes, drie soorten confituur (banaan, ananas en peer), watermeloen en bananen, koffie en thee... dat kan duidelijk erger. Ik raak aan de praat met twee Ierse meisjes met een kater. Ze zijn in Hanoi aangekomen na een maand vrijwilligerswerk op Sulawesi, het Indonesische eiland waar ik ben geweest toen ik zestien was. Hun ervaring was minder leuk geweest dan de mijne: het werk was interessant geweest (dieren verzorgen en terug in het wild zetten indien mogelijk) en de omgeving (een nationaal park) was prachtig, maar het eten was vreselijk en ze waren allebei heel ziek geworden. Een van beide had er dengue gekregen en na haar verhaal ben ik nog voorzichtiger met muggen dan ik daarvoor al was. Dengue is bijzonder pijnlijk (vreselijke gewrichtspijnen) en er is niets aan te doen. Je moet gewoon wachten en hopen, het is in zeldzame gevallen dodelijk. Nachtmerrieverhalen bij het ontbijt. Njam.
In de namiddag beslis ik naar een tempel te wandelen in een buurt waar ik nog niet geweest ben. De buurt is erg gezellig met weinig toeristen en veel koffie en eten op straat. De tempel blijkt in renovatie, dus dat is pech. Ik zet mij dan maar neer op een plastiek stoeltje voor de tempel en vraag naar mia da chang, vers geperst rietsuikersap met ijs en citroen. Het is vrij makkelijk om stalletjes te vinden die deze drank serveren, want de machine waarmee het gemaakt wordt, springt in het oog en het oor.
(een voorbeeldje van een sugarcane juicer. De vrouwen moeten de grote stengels eerst 'schillen' en dan verschillende keren door de machine halen. De machine maakt veel lawaai, maar het resultaat is, zeker met wat limoensap, zoet maar heerlijk verfrissend en wordt geserveerd in een groot bierglas zoals hierboven.)
Ik wandel daarna terug richting hostel, waar ik 's avonds te veel betaal voor mijn street food. Ik was alweer vergeten dat je in toeristische buurten altijd naar de prijs moet vragen voor je eet. Het is onmogelijk om nog af te dingen als je al gegeten hebt. Het enige wat je dan nog kan doen is kwaad kijken en als het echt veel te veel was, gewoon minder geld dan gevraagd in de hand te stoppen, maar dan bestaat de kans weer dat iemand tegen je begint te roepen. Ja, Vietnamezen zijn niet de typische stille, boeddhistische Aziaten die je misschien verwacht. Ze zijn vaak supervriendelijk en maken graag grapjes, maar ze kunnen ook echt openlijk kwaad zijn, op elkaar of op de toeristen. Ik heb persoonlijk nooit veel problemen gehad en heb bijna altijd de vriendelijke kant van de Vietnamezen gezien. Ik moet ook wel toegeven dat ik niet vaak dronken ben geweest, nooit echt schaars gekleed was en mijn dertig woorden Vietnamees volledig heb uitgebuit.
Wat dat schaars gekleed betreft, in de gigantische hostel voel ik me compleet underdressed. De hoeveelheid frivole kleedjes, juwelen en make-up die daar uit rugzakken kwam was indrukwekkend. Wie reist er nu zonder drie kleuren nagellak, een wimperkruller en sandalen met kralen en kristallen?
Ik ben overduidelijk in partyville beland. Mijn dorm is heel rustig tot een uur of drie wanneer een groep kamergenoten door het raam naar binnen klimt. Vergezeld van hun beste vrienden Johnny (fervent wandelaar) en Morgan (kapitein op de grote vaart) komen ze binnengerold en beginnen de meest hilarische dronken gesprekken. "I wanna impregnate someone tonight," blijft een jongen herhalen terwijl hij een kamergenote die net in bed is gekropen bespringt. Ik begin net te vrezen dat de situatie genant zal gaan worden, tot ik besef dat hij zo dom is geweest om de Schotse Sarah uit te kiezen. Sarah, niet op haar mondje gevallen en in een serieuze relatie, duwt hem haar bed uit en zet hem in haar prachtige Schots op zijn plaats.
De volgende ochtend trek ik met deze zelfde Sarah naar het mausoleum van Ho Chi Minh, zeg maar de Lenin en Mao van Vietnam. Zijn afbeelding is een vast deel van het interieur in elke Vietnamese woning en elke school die zichzelf (en de communistische partij) respecteert heeft op de gevel een grote afbeelding van 'Nonkel Ho' die vriendelijk glimlachend bloemen ontvangt van een lief uitziend kind. De eerste keer dacht ik dat Ho die school dan wel bezocht moest hebben, maar zo zit het niet in elkaar. Nu zie ik het eerder als de communistische variant van Jezus die de kinderen tot zich laat komen. Nonkel Ho is de redder van de natie, de grote held, maar spijtig genoeg al sinds 1969 een dode held. De Vietnamezen zouden echter geen echt communisten zijn als ze daar niet een oplossing voor bedacht hadden die opvallend lijkt op die van hun illustere 'vriendjes', de Russen. Net als Lenin, ligt Ho Chi Minh opgebaard in een mausoleum. Daar kan je hem elke dag een laatste groet komen brengen.
Om Ho daadwerkelijk te zien te krijgen, moet een mens wel wat moeite doen. Ik had op mijn tweede dag in Vietnam al een poging gedaan met Marcus, maar toen waren we te laat. We waren te voet gegaan en waren pas om elf uur aangekomen. Elf uur is te laat. Elf uur 's ochtends, voor de duidelijkheid. De laatste mensen mogen het mausoleum binnen rond kwart voor elf want om elf uur gaat het onherroepelijk dicht. De rest van de dag heeft Ho zijn rust nodig, denk ik. Of misschien is het dan te warm voor de soldaten die in volledig uniform de wacht houden voor het mausoleum. Om het half uur wisselen zij van positie, verder staan ze Buckinghamiaans stil in de felle zon.
Als je het mausoleum in wil, moet je niet alleen vroeg zijn, maar ook respectvol gekleed. Bedekte knieen en schouders, onbedekt hoofd en geen fototoestellen rond de nek. Flipflops worden getolereerd maar dan ook niet meer dan dat. Enkele serieuze Vietnamezen in de rij voor ons kijken een beetje boos naar onze voeten. Of misschien ligt dat aan Sarah's weinig respectvolle blauwe teennagellak? We giechelen dan maar een beetje en worden prompt op de schouder getikt door een soldaat. Nee, we zijn nog niet binnen in het mausoleum (we wandelen de respectvolle vijfhonderd meter onder een baldakijn richting het gebouw), maar op weg zijn naar Ho is een bedevaart. Dat mag je trouwens vrij letterlijk nemen. Getuige volgende foto van een groep monniken en nonnen. (Hoera! Mijn eerste zelf genomen foto op de blog!)
(Dit is een aanvaardbare afstand om een foto te nemen van het mausoleum)
Eenmaal eindelijk binnen is het muisstil. Door een lege marmeren gang en trappen met rood (of wat dacht je?) tapijt schuifelen we dieper en dieper het gebouw in. We slaan een hoek om en daar, in halve duisternis, ligt Ho Chi Minh. In een sneeuwwitjesglazen kist. Het lijkt alsof hij slaapt. "Is that the real one?" fluistert Sarah? "He looks like he should be in Madame Tussaud's." Dat is een goede omschrijving. Later hoor ik dat er toeristen zijn die blijkbaar niet beseffen dat ze de echte Ho hebben gezien.
Westerlingen (ik inclusief) begrijpen duidelijk niet echt wat dit marmeren, quasi lege gebouw losmaakt bij de Vietnamezen. Terwijl je er bent, is het moeilijk om het serieus te nemen. Daarna ben je teleurgesteld in jezelf. Is een dode held grappig? Zelfs als hij in een sneeuwwitjeskist ligt? Of is die dodenheldencultus net een beetje gevaarlijk?
Na het mausoleum scheiden Sarah en ik even onze wegen. Zij wil naar de tempel van de literatuur (waarvoor ik wel op tijd was met Marcus). Ik ga naar het museum voor schone kunsten. Het is een aangenaam museum dat mij een beter beeld geeft van de geschiedenis van de kunst in Vietnam. Ik zie chronologisch werken van hun ijzeren tijdperk tot nu. Het museum is niet te groot en ik kom buiten met een beter beeld van de geschiedenis van het land en een paar mooie beelden en schilderijen in mijn hoofd.
De volgende dag heb ik een heel specifieke missie. Mijn boeken zijn bijna allemaal uitgelezen, de gigantische hostel heeft een ronduit zielige boekenruil en ik heb in het noorden ook bijna nergens anderstalige boeken kunnen vinden. In de Bijbel staat een boekhandel aangestipt die ik graag wil proberen: tweedehandse en nieuwe boeken, buurt waar ik nog niet geweest ben, in die buurt een markt waarvan een Vietnamees had gezegd dat hij er altijd lunchte... Check, check and check.
Ik vind de boekenwinkel, koop een vijftal boeken, eet een fantastische lunch in de markt met een groepje lokale vrouwen, leer nieuwe woorden (groenten) en leer nieuwe woorden aan (hair band), bezoek een mooie tempel aan de rand van een meer, begin langs de rand van datzelfde meer in een van mijn nieuwe boeken en wandel enkele uren later rustig terug.
Voor de volgende ochtend vind ik wel een nieuwe compagnon. De Duitse Kim vertelt me 's avonds dat ze een bepaalde soep wil gaan eten omdat die haar werd aangeraden door vrienden. Het soepstalletje is enkel geopend voor het ontbijt en zij is - ondanks een schooljaar in Singapore - geen fan van soep als ontbijt en heeft bovendien moeite met vroeg opstaan. Om ervoor te zorgen dat ze toch gaat, zoekt ze een ontbijtgenoot. Iemand mogen wakker maken en lekkere soep? Dat hoeft ze mij geen twee keer te vragen. Ik moet Kim wel degelijk wakker schudden, maar om half negen zijn we toch de deur uit. Ontbijt begint rond 5 in Vietnam dus we zijn toch aan de late kant, maar gelukkig is de soepplek heel dichtbij. Het is een van de kleinste straatzaken die ik al gezien heb, ze hebben amper plaats op de stoep tussen de vele geparkeerde scooters, maar er zijn nog net twee stoeltjes vrij en er is nog soep. Bestellen is niet nodig, je gaat gewoon zitten en krijgt het enige gerecht op het menu: bun rieu cua. Wauw. Dit is soep om u tegen te zeggen. Geweldige bouillon van krabbetjes uit rijstvelden, er zitten natuurlijk rijstnoedels in maar ook tomaat. En bovenop varkensvlees, een gigantische hoop groene kruiden en krokant gebakken sjalot. Krokant Gebakken Sjalot.
Zo zag het er ongeveer uit. Maar met meer groen.
En Krokant Gebakken Sjalot.
Na het ontbijt willen Kim en ik naar het etnologisch museum dat een eindje buiten het toeristische centrum ligt. Een weinig problematische busrit later (even de bus in de verkeerde richting genomen) komen we aan in de buurt van het museum. We drinken onderweg nog een cafe sua da (Vietnamese koffie met gecondenseerde melk en ijs. Kim is niet de enige reiziger die ik tegenkom die geen dag zonder Vietnamese koffie kan) en arriveren daardoor later dan gepland in het museum. Geen probleem voor mij, maar Kim heeft een heel schema af te werken. Drie musea en de tempel van de literatuur. Zij gaat dus voor een turbobezoek binnen in het museum en slaat de grote museumtuin over om snel achterop een motobike te springen. Zonde, want de tuin stond vol traditionele gebouwen uit het hele land, volledig met interieur en uitleg over hoe mensen er wonen. Later die dag zal Kim me vertellen dat haar motobikechauffeur de stad minder goed kende dan zijzelf en dat het voor haar dus een redelijk frustrerende dag was geworden. Ik ben dus extra blij dat ik wel de tijd heb genomen voor de tuin.
Na het museum beslis ik de zeven kilometer naar de hostel maar te wandelen. Onderweg kom ik volgens mijn kaart langs het kantoor van de illustere Mr Angh. Dat komt goed uit want ik moet de man nog betalen voor die ene middag met gids in Sa Phin.
Het adres blijkt alweer een doodgewoon huis te zijn waar alweer niemand thuis is hoewel ik twee dagen eerder had gemaild dat ik zou komen. Alweer had ik direct een vriendelijk antwoord gekregen (Mr Angh heeft een Iphone en maakt daar geen geheim van) en alweer is de man niet aanwezig en heeft hij niemand gestuurd. Mr Angh is een geest met een Iphone en een laptop. I rest my case.
Na deze zoektocht wil ik graag mijn dagelijkse middagstop in een park maken. Het park van vandaag blijkt de zoo te zijn (Ah, daarom was het kaartje tien cent duurder) en over de zoo wil ik niet al te veel kwijt. Er waren vrolijke Vietnamezen, er waren kleurige dierenstandbeelden, er waren mooie bloemenperken, fonteinen en een eilandje met brug, en er waren ook kleine kooien met triestige dieren.
mozaiekfontein met olifanten bij de ingang. Ik had nog steeds niet door dat het de zoo was.
Leerlingen voor een van de vele lege kooien.
Nog nooit waren lege kooien zo'n goed nieuws.
Ik moest absoluut op de foto met deze universiteitsstudenten.
Zij komen naar de zoo om een groepswerk te bespreken
Ik wandel verder terug richting hostel en koop ondertussen een schoudertasje van twee heel vriendelijke meisjes. Hun winkel verkoopt overduidelijk enkel mannenkleren en -accessoires, maar ik wil de kleine rode schoudertas uit de etalage en dat vinden ze geweldig. Ik moet natuurlijk minstens vier tassen uitproberen voor de spiegel en ze willen me ook nog twee paar mannenschoenen verkopen: "You have big foot. You will not find girl shoe in Vietnam."
's Avonds in de hostel eet ik een burger met Kim en de Ierse meisjes die ik enkele dagen eerder ontmoette. Zij hebben weer een kater. Ik besluit dat ik genoeg heb van deze hostel (het nachtelijke spektakel van de eerste dag heeft zich elke avond herhaald en is de derde keer iets minder grappig) en genoeg heb van Hanoi. Ik ben moe en lui en vind het te warm. Ik wandel de volle tien meter naar de reisagent in de hostel en boek een nachtbus naar Hue, keizerlijke stad aan de Parfumrivier.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten